Staal sport woordenschat les 1

Groep: Groep 5/6
Vakgebied: Taal
Labels: Staal groep 6 thema sport les 1 woordenschat
Auteur: Jessica Boonen
Datum: 20-03-'25
< Terug naar overzicht
Vakgebied: Taal
Labels: Staal groep 6 thema sport les 1 woordenschat
Auteur: Jessica Boonen
Datum: 20-03-'25
< Terug naar overzicht
Vragen:
1. In evenwicht proberen te blijven.antwoord (optioneel): balanceren
2. Iets op het goede moment doen.
antwoord (optioneel): timing; de timing
3. Iets doen of uitvoeren.
antwoord (optioneel): beoefenen
4. De manier waarop je iets doet.
antwoord (optioneel): de techniek; techniek; De techniek
5. De manier waarop je iets aanpakt om iets te bereiken.
antwoord (optioneel): de tactiek; De tactiek; tactiek
6. Je lichamelijke toestand, hoe fit en gezond je bent.
antwoord (optioneel): de conditie; De conditie; conditie
7. Gewond
antwoord (optioneel): geblesseerd; Geblesseerd
8. Een sport die je lang achter elkaar doet.
antwoord (optioneel): duursport; de duursport; De duursport
9. Heel enthousiast en fel, graag willen winnen.
antwoord (optioneel): fanatiek
10. Iemand met opzet laten struikelen.
antwoord (optioneel): tackelen
11. Een sport die je in je eentje beoefent.
antwoord (optioneel): de individuele sport; De individuele sport; individuele sport
12. De platte schijf bij ijshockey.
antwoord (optioneel): de puck; puck
13. Als eerste de bal in het spel brengen bij een sport met een net.
antwoord (optioneel): serveren
14. Een blok waar je tegenaan staat bij de start van een wedstrijd.
antwoord (optioneel): het startblok; startblok; Het startblok
15. Een soort staaf waarmee je tegen een bal of puck slaat.
antwoord (optioneel): een stick; de stick; Een stick; De stick
16. Een trap of worp waarmee je de bal naar een teamspeler overspeelt.
antwoord (optioneel): pass
17. Iets wat grote opwinding veroorzaakt.
antwoord (optioneel): sensationeel
18. Dit ben je als je veel sport of goed tegen je verlies kunt.
antwoord (optioneel): sportief
19. Van het ene naar het andere overgaan.
antwoord (optioneel): schakelen
20. Een professionele sporter, je sport voor je beroep.
antwoord (optioneel): de prof; prof; De prof